Projecten

Wat is een project?
Een project laat zich omschrijven als een geheel van samenhangende activiteiten, uitgevoerd ten behoeve van een vooraf overeengekomen resultaat, met een begein en eindtijdstip, gebruik makend van begrensde middelen en menskracht en meestal eenmalig van aard (van Aken, 1996).

Het is een model om ambitie en capaciteit op elkaar af te stemmen, door te sturen op:

  • een tevoren vastgesteld resultaat
  • een tevoren vastgestelde schaal
  • een tevoren vastgesteld tijdstip
  • een tevoren vastbesteld budget

volgens afspraak met relevante partijen, waarbij de afspraken zonodig herzien kunnen worden.

De definitie geeft aan dat we doelgericht ergens naar streven. De werkelijkheid van gezondheidsbevordering laat zien dat dit in het ene geval makkelijker en veel duidelijker is dan in het andere.

Typen projecten

Projecten kunnen verschillen. Sommige projecten zijn redelijkerwijs onder controle, bekend terrein, terwijl andere veeleer terreinverkennend zijn. Binnen de gezondheidsbevordering en preventie gaat het altijd om een activiteit waarbij een bepaald doel bij een bepaalde doelgroep met een bepaalde interventie gerealiseerd moet worden. We noemen dit de:

  • Doel/Doelgroep/Interventie-Combinatie (DDIC).

Met dit begrip willen we aangeven dat doel, doelgroep en interventie niet los van elkaar vastgesteld kunnen worden. Er zijn vele combinaties te maken, en het gaat er juist om de afweging in combinatie te maken. Een project bestaat doorgaans uit meerdere DDIC's.

We kunnen projecten verdelen in verschillende typen door te kijken wat we van de verschillende elementen van de DDIC weten. In de praktijk kunnen we vier typen projecten onderscheiden: innovatie, marktverkenning, interventie-verkenning en implementatie. In schema ziet het er zo uit:


  Projecttype

 Doel

Doelgroep 

 Interventie

 1. innovatie

    ?

    ?

     ? 

 2. marktverkenning

    !

    ?

     !

3. Interventieverkenning

    !

    !

     ?

4. Implementatie

    !

    !

     !



Dit schema is een makkelijke manier om na te gaan met welk type project we te maken hebben. Wat weten we zeker (!) en waar zitten de vraagtekens (?). Op grond daarvan is een eerste indicatie van het type te geven.

Type 1: het innovatieproject. Deze term wordt gebruikt als zowel het probleem als de oplossing nog nauwelijks verkend zjin. De mogelijke DDIC's moeten op alle drie de ingrediënten worden ontwikkeld; men spreekt ook van ontwikkelprojecten.

Type 2: het marktverkenningproject. Bij dit type is de problematiek wel enigszins bekend, maar het gaat om nieuwe klanten, om mensen van wie het nog niet duidelijk is hoe ze met dit issue omgaan. De doelen en interventies moeten dus opnieuw op maat gesneden worden, om na te kunnen gaan of een bepaalde DDIC ook hier werkt.

Type 3: het interventieverkenningproject. Hier gaat het om het toepassen van een nieuw middel (nieuwe interventie) in een bekend veld met een bekend doel.

Type 4: het implementatieproject. Doel, doelgroep en interventie zijn bekend. Ook is bekend dat de interventie kan werken. Het gaat er nu om om deze interventie op grotere schaal uit te zetten (te implementeren). De nadruk bij dit project ligt op zorgvuldig plannen, bouwen van draagvlak en met de intermediaire doelgroep zien te realiseren dat de interventie wordt ingevoerd en uitgevoerd.

Beleid en programma als kader voor projecten

Het beleid van de overheid of van organisaties benoemt de uitgangspunten, de algemene doelen en de grote lijnen waarop men zich wil richten. Het is daarmee doorgaans richtinggevend voor alle werkzaamheden die uitgevoerd worden. De mate van abstractheid of concreetheid van beleid wordt vaak mede bepaald door de rol, positie en omvang van de organisatie. Het beleid van een 'hogere'(subsidiegevende) partij vormt meestal het kader voor de 'lagere' (uitvoerende) partijen.

Binnen het algemene beleid van een instelling of afdeling worden in de meeste gevallen werkzaamheden uitgevoerd rondom verschillende thema's of aandachtsgebieden. Zo'n cluster noemen we een programma. Daarbij is globaal duidelijk bij wie (welke doelgroep) we in een zekere termijn wát veranderd willen zien (welk doel). De richting van de verandering is min of meer helder, maar op welke manier dat moet gebeuren staat niet bij voorbaat vast.  Ook hier kan weer sprake zijn van verschillende abstractieniveaus: een programma kan betrekking hebben op werkzaamheden binnen een instelling, maar het kan ook gaan om samenwerking tussen verschillende instellingen.

Beleid en programma zijn abstracte begrippen. Het gaat om verwachtingen en voornemens van instellingen en dus om eisen en dromen van mensen. Een projectleider dient zich steeds bewust te zijn van de beleidscontext waarin gewerkt wordt. Daarin komen immers de opvattingen, wensen en eisen van belangrijke partijen tot uiting, die in formele of informele zin een stem hebben in het project. Wie bij de opbouw van een project dit sociale netwerk negeert, komt het later onvermijdelijk weer tegen.